1400-1700: Schaarbrieven

De erfgooiers in de dop kwamen steeds vaker bij elkaar. Ze spraken af wie zich erfgooier mocht noemen en op basis waarvan de landbouwgronden gebruikt mochten worden.

Zo was het bezit van een Gooise boerderij met akkerland verplicht. Meerderjarigheid en gehuwd zijn waren andere vereisten. De bepalingen werden op schrift gesteld in schaarbrieven, vernoemd naar het belangrijkste gebruiksrecht; het laten grazen of ‘scharen’ van rundvee en paarden op de meenten. De gebruiksvoorwaarden waren dermate zwaar dat steeds maar één mannelijke telg uit één familie volledig gebruiksrecht kreeg. Dit leidde tot een onderscheid in scharende erfgooiers en niet-scharende erfgooiers. Niet-scharende erfgooiers bleven in theorie gerechtigd, maar hadden er in de praktijk niets aan. Het aantal erfgooiers dat hun gebruiksrecht ten volle benutte bleef op die manier beperkt. Zo raakten de Gooise landbouwgronden niet overbelast. De reglementen waren soms gericht tegen ‘vreemdelingen’, bijvoorbeeld Utrechters. Zo was een schaarbrief uit 1455 voornamelijk bedoeld om het Utrechtse migranten zo moeilijk mogelijk te maken in het Gooi een vruchtbaar landbouwbedrijf te starten. Tot eind negentiende eeuw zijn er schaarbrieven uitgevaardigd, in combinatie met reglementen van gebruik en genot.