De eerste ‘Erfgooiers’

Stel het u voor: het Gooi in 900. Er woonden mensen. Niet veel, maar genoeg om een kerk te vullen. ‘Nederland’ bestond nog niet.

De Lage Landen bij de zee behoorden tot het Oost-Frankische keizerrijk, waar nazaten van Karel de Grote (752-814) aan de macht waren. Ze hielden hun imperium bijeen door de steun van machtige Germaanse families, zoals de Hamalanders. Wichman II van Hamaland (circa 930-973) stichtte in 968 een nonnenklooster in Elten. Enerzijds was het klooster een veilige plek voor zijn dochters en andere vrouwelijke familieleden, anderzijds kon hij het ‘omwille van zijn zielenheil’ begiftigen met land, zoals het eiland Urk, delen van de Veluwe en het gehele Gooi. Zo werden de Gooiers Eltense arbeiders die verplicht waren belastingen aan het klooster te betalen. Ook moesten ze diensten verrichten voor de abdis en haar nonnen. In ruil kregen ze gebruiksrechten op de landbouwgronden. In 1280 verpachtte de toenmalige abdis Godelinde Gooiland aan de Hollandse graaf Floris V (1254-1296). De Gooiers werden weliswaar ‘gevrijde’ onderdanen van de Hollandse graven, maar ze waren toch bezorgd. Wat betekende deze machtswisseling voor hun landbouw en veeteelt? Uit voorzorg grepen ze terug op hun oude Eltense gewoonten en regels. Een daarvan was dat alleen ‘echte’ Gooiers Gooise grond mochten benutten. Het erfgooierschap was geboren.